Crisis- en Herstelwet

Op dit moment ligt de Crisis- en herstelwet (hierna: CHW) bij de Eerste Kamer voor behandeling.

Op 16 maart a.s. wordt het daar – vooralsnog – besproken. Of de val van het kabinet roet in het eten gooit is de vraag. Het wetsvoorstel kan immers controversieel worden verklaard zodat behandeling tot en met 9 juni 2010 zeker is uitgesloten. Evenwel is een korte toelichting op de CHW en zijn mogelijke werking in de praktijk niet misplaatst.

Aanleiding

De titel van de CHW geeft de aanleiding direct prijs; de economische crisis. De regering wil de economie draaiende houden door ruimtelijke en infrastructurele projecten versneld te laten ontwikkelen en verwezenlijken. Daarom geeft de CHW regels waardoor van versnelling van besluitvorming en vermindering van juridische risico’s sprake zou moeten zijn.

Niet alle wijzigingen kunnen op deze plaats worden besproken. Een aantal – in het oogspringende elementen – bespreken we hier.

Tijdelijke en permanente maatregelen

Bepaalde voorzieningen uit de CHW gelden tijdelijk; tot 1 januari 2014. Daarbij is van belang dat de relevante besluiten vóór 1 januari 2014 zijn genomen. De tenuitvoerlegging daarvan na die datum kan dan onder de regels van de CHW plaatsvinden. Zodoende werken de tijdelijke maatregelen van de CHW ook door na 1 januari 2014. Andere aanpassingen van de wet- en regelgeving zijn permanent. Hierbij is vooral gekeken naar bepalingen uit bijvoorbeeld de Natuurbeschermingswet 1998 en de Wet milieubeheer die tot vertraging kunnen leiden maar niet per definitie van toegevoegde waarde lijken of Europeesrechtelijk zijn vereist.

Projecten die gebruik kunnen maken van de tijdelijke maatregelen

De tijdelijke maatregelen hebben betrekking op specifiek aangewezen (categorieën) ruimtelijke en infrastructurele projecten. Hierbij kan worden gedacht aan projecten aangaande duurzame energie en waterstaatswerken in algemene zin of concrete projecten als de snelweg A4 tussen Delft en Schiedam en luchthaven Twente.

Ook gelden de tijdelijke maatregelen voor versnelde uitvoering van woningbouwprojecten. Het moet dan gaan om de bouw van tenminste 12 en ten hoogste 2.000 woningen.

Ook kunnen zogeheten lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis profiteren van de tijdelijke maatregelen. Deze projecten worden door de regering in overleg met decentrale overheden geselecteerd. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn grootschalige stadsvernieuwingen en herontwikkeling van stationsgebieden. 

Ook tijdelijk is de nieuwe figuur van gebiedsontwikkelingsplannen. Deze plannen geven de gemeenten en provincies ruimere mogelijkheden om zogeheten milieuruimte ‘vrij te maken’. Dit houdt in dat binnen specifiek omschreven gebied de milieunormen mogen worden overschreden indien deze overschrijding gepaard gaat met een verscherping met dezelfde omvang van de milieunormen elders binnen datzelfde gebied. Op deze wijze blijft de milieulast binnen het gebied gelijk en hebben gemeenten en provincies meer mogelijkheden om bepaalde doelen te realiseren.

Om welke tijdelijke maatregelen gaat het?

Om procedures te versnellen wil de CHW ten eerste het in beroep opkomen tegen besluiten door decentrale rechtspersonen en bestuursorganen die niet tot hen zijn gericht uitsluiten. De gedachte is dat de overheden er in goed overleg met elkaar uit moeten komen. De weg naar de burgerlijke rechter blijft natuurlijk open staan.

Ook kunnen kleine materiële gebreken in besluiten waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld worden ‘gepasseerd’. De rechter kan het besluit dan, ondanks deze gebreken, in stand laten. Door de bijkomende voorwaarden is het echter de vraag of de beoogde tijdswinst verwezenlijkt zal worden. Zo mogen belanghebbenden met de instandhouding van het besluit niet benadeeld worden. Daarnaast moet vaststaan dat ook bij naleving van de geschonden rechtsregel geen ander besluit zou zijn genomen.

Vervolgens springt in het oog dat pro-formaberoep-schriften niet meer kunnen worden ingediend. Een beroepschrift moet in dat geval altijd zijn voorzien van gronden.

Ook wordt de bestuursrechter aan een termijn van zes maanden gehouden om – na afloop van de beroepstermijn – een uitspraak te doen.

Vervolgens dient de invoering van de lang verwachte relativiteitsregel te worden besproken. Dit betekent dat de bestuursrechter een besluit niet kan vernietigen op de grond dat het in strijd is met een (on)geschreven rechtsregel of beginsel die de belangen van degene die zich daarop beroept kennelijk niet beschermt. Een appellant dient dus een expliciet belang te hebben bij de beroepsgrond waarop hij zijn betoog baseert. Overigens weerhoudt de relativiteitsregel belanghebbenden niet om in beroep te gaan tegen een besluit. Zij hebben alleen geen kans dat hun beroep gegrond wordt verklaard. Aldus zal in sommige gevallen geen tijdswinst worden geboekt omdat alsnog een beroep wordt in gesteld.

Tenslotte kan een bestuursorgaan, na de vernietiging van een besluit, zich bij het opnieuw nemen van een besluit baseren op feiten die ten tijde van het nemen van het vernietigde besluit daaraan ten grondslag lagen, tenzij de onjuistheid of het onvoldoende vast staan van deze feiten een grond was voor de vernietiging van het besluit. Hiermee wil de CHW voorkomen dat bestuursorganen een geheel onderzoek opnieuw moeten laten plaatsvinden wanneer de juistheid daarvan niet is betwist.

MER en lex silencio positivo

Naast voornoemde wijzigingen wordt tevens e.e.a. veranderd wat betreft het Milieueffectrapport en wordt de ‘lex silencio positivo’ ingevoerd. In een MER hoeven geen alternatieven meer te worden beschreven. Ook is een advies van de Commissie voor de MER niet meer vereist. Dit lijkt tijdswinst met zich te brengen. Met de ‘lex silencio positivo’ wordt bedoeld dat als een bestuursorgaan niet op een aanvraag beslist, na verloop van tijd het besluit wordt geacht te zijn genomen, althans dat de aanvraag positief wordt beoordeeld. Dit laatste gaat door de CHW alleen gelden ten aanzien van aanlegvergunningen (artikel 3.16 Wro)

Permanente maatregelen

Zoals hiervoor aangegeven wordt een aantal wetten blijvend gewijzigd. Zo wordt de uitvoering van de Natuurbeschermingswet 1998 vereenvoudigd. Doel is dat er minder vergunningen nodig zijn en de effecten van stikstof op Natura 2000-gebieden eenvoudiger berekend kunnen worden. Ook wordt de programmatische aanpak van stikstofdepositie in de hand gewerkt.

Een andere belangrijke aanpassing van bestaande wetgeving – die nog onderwerp van discussie is in de Eerste Kamer – is de beoogde uniformering en stroomlijning van procedures voor onteigening.

Inwerkingtreding?

De beoogde datum van inwerkingtreding van 1 januari 2010 is niet gehaald. Gelet op de demissionaire staat van het kabinet is nog ongewis of de CHW wel de beoogde eindstreep haalt! Los daarvan geeft de wet wel aan welke veranderingen op het gebied van het bestuursrecht voor ruimtelijke projecten op de ministeries overwogen worden. Over de precieze uitkomst van het debat en de eventuele inwerkingtreding van de CHW zult u via de website van Ploum Lodder Princen of in een volgende nieuwsbrief op de hoogte worden gehouden.

 

Aan dit artikel werkte Pedram Farahani mee, die in het kader van de Togamaster aan de Erasmus School of Law op ons kantoor een twee maanden durende stage liep.

Cornelis van der Sluis
cvdsluis@plp.nl
010 404 11 72


02_nieuws.jpg